Een vriend van mij woonde ooit zes jaar in Israël en kreeg toen voor tien jaar zijn toegang tot het land ontzegd, omdat hij als christen betrokken was bij allerlei evangeliserende
activiteiten. Zo had hij contact gekregen met een Joodse jongeman, die door hem tot geloof gekomen is en nu al weer jarenlang voorganger is van een Messiaanse kerk in Israël. En ja, daar was de regering niet zo van gediend.
Hij heeft
zijn liefde voor het land echter nooit verloren en zo nodigde hij mij uit om in Januari weer eens een weekje naar Israël te gaan. Hij zou met iemand uit zijn omgeving gaan, die nog nooit in Israël geweest was. Maar nadat ze
de reis geboekt hadden, wilde diens vrouw ook mee en om niet het derde wiel aan de wagen te zijn, vroeg hij of ik misschien ook mee wilde. Sinds COVID en met inmiddels elf kleinkinderen heb ik niet meer zo’n behoefte gehad om te reizen. Maar ik voelde er nu toch wel voor om even de winterse kou te ontvluchten en was ook benieuwd hoe het nu in Israël zou zijn. De laatste keer dat ik er was, was zeven jaar geleden toen ik bezig was mijn boek over Openbaring te schrijven en ik nog een keer het land waar het om te doen is, wilde bezoeken.
Uiteindelijk ging ook nog een zus mee, die al zo'n dertig keer in Israël geweest was.
Ik zei tegen hem: “jij komt op straat een Nederlander tegen en je wordt beste vrienden. Hoe kan dat?”
“Tja,” zei hij, terwijl hij zijn schouders ophaalde, “dat was Hashem.” Hashem betekent ‘de naam’ en Joden gebruiken dat in plaats van de naam Jahweh, om het
derde gebod niet te overtreden.
Zo raakten we in gesprek over allerlei zaken. Op een bepaald moment had hij het over de tien verdwenen stammen van Israël en hij zei: “soms denk ik wel eens bij mezelf, als ik
mensen ontmoet zoals jullie, die zoveel van Israël houden, dat jullie onze broeders zijn uit één van die stammen, zoals Ruben bijvoorbeeld.”
Ik stond te klapperen met mijn oren, omdat ik het volkomen met hem eens was. Dus ik boog me over de tafel en reikte hem een hand. “Ja,” zei ik, “want de tien stammen zijn
opgenomen in Assyrië dat opgegaan is in Babylon, en dat in het Perzische rijk en dat bij de Grieken en daarna de Romeinen. Zo zijn de tien stammen vermengd met de wereldbevolking. Hosea één tot en met drie spreekt erover
dat de tien stammen als het ware over de akker van de wereldbevolking uitgezaaid zijn en dat de Messias zal komen om daaruit kinderen van God te oogsten.”
“Ja,” zei hij, “maar hoeveel mensen zullen dat dan zijn? Sommigen denken dat het van de stammen Juda en Benjamin 2 miljoen zijn en dan zou je voor de tien stammen
tien miljoen mensen hebben.”
“Ik denk dat het er wel meer zijn,” zei ik.
“Ja, dat denk ik ook,” antwoordde hij.
“Ik denk dat dat wel miljarden mensen zullen zijn. Miljarden.”
“Ja,” zei hij, “dat denk ik ook.”
WAAAAT!! Ik weet niet wat ik meemaak. Dit is zo anders dan een paar decennia geleden, toen mijn vriend nog het land uitgezet werd. Ik heb tegen verschillende mensen in Israël gezegd: in een
wereld waar Joden van alle kanten steeds meer onder druk en vervolging komen te staan, ontdekken zij dat hun grootste vrienden, christenen zijn. (Helaas niet alle christenen, maar toch.)
Er zijn nog wel verschillen. Zij geloven dat die Messias ooit nog een keer zal komen. Wij geloven dat Hij al een keer geweest is en weer terugkomt. Maar het is nog maar een kleine stap en de toenadering is er al.
En dat geeft mij hoop dat het misschien niet al te lang meer zal duren dat Ezechiël 37:15-28 waarheid gaat worden.
De rabbi vond dat wij een lied moesten zingen en dus zette hij iets in. Maar wij kenden het niet en veel bijval kreeg hij dan ook niet. Ik zeg tegen mijn vriend: “wij kennen dat lied Hine Ma Tov toch wel. En dus zongen we met z’n allen uit volle borst:
Hine ma tov uma na'im
Shevet achim gam yachad
We hebben het zelfs op video.
“Weet je wel waar dat lied over gaat?” vroeg mijn vriend nadat we de tulpen in het tuintje van de rabbi bewonderd hadden en weer naar ons hostel gingen. “Nee,” zei ik.
“Dat is van Psalm 133. Daar staat: zie toch hoe goed en lieflijk het is als broeders (en zussen) samenwonen/zijn.”
Wel heb je ooit!!!
De volgende dag zaten we alweer bij een andere gastvrije rabbi en konden we tegenover een groep van zo’n vijftig mensen woorden van bemoediging en broederschap spreken. Ik kan niet anders zeggen dan dat God aan het werk is en ik kijk uit naar wat Hij nog meer gaat doen.

Ja, wonderlijk allemaal.
BeantwoordenVerwijderenDe plannen van 'De Naam' worden steeds duidelijker!
Mooi verhaal over hoop in roerige tijd jden
BeantwoordenVerwijderen